mannen, nostalgie, Spanje, Uncategorized

De gsm in de broekzak: de jeugd is gek.

‘Jawel’, knikt hij. ‘Ik heb een gsm’. Hij vist een klein, zwart, rechthoekig dingetje uit zijn broekzak. In het jaar 2000 deed zijn zoon hem een klappertje cadeau. ‘Stel je voor dat je onderweg bent en onwel wordt, dan kan je me bellen.’ Dat was het standpunt van de bezorgde zoon.

Zeventien jaar later doet het klappertje nog steeds dienst. ‘Ik stop hem in mijn zak als ik op pad ga,’ zegt hij ernstig. ‘Dan kan ik altijd iemand verwittigen als me iets overkomt… maar eigenlijk overkomt me nooit iets.’ Hij is 86. Twintig jaar geleden overleed zijn vrouw. Ze stikte in een stuk appel. Hij kwam thuis van zijn werk en ze zat dood op een keukenstoel. Hij vertelt het emotieloos. ‘Daar zat ze gewoon,’ zegt hij. ‘Dood op een stoel, aan tafel. Ze had de appel die ze aan het eten was nog in haar hand en het schilmesje ook.’ Dat ze misschien een hartaanval heeft gekregen, wil hij niet horen. Ze is gestikt in een stukje appel en sindsdien eet hij nooit meer appels.

Hij leerde na de dood van zijn vrouw een andere vrouw kennen en daar is hij nog steeds bij. Het was niet eenvoudig, zegt hij respectvol terwijl hij haar aankijkt, maar het was het beste voor ons beide. Zij was ook weduwe en ik zorg nu voor haar groententuin en haar olijfbomen en zij kookt mijn eten en doet de was. We zijn beter af met twee. Zij beaamt dat knikkend. Haar handen liggen gevouwen in haar schoot. ‘Het was niet eenvoudig,’ knikt ze. ‘Mijn man was de eerste en enige man in mijn leven toen hij stierf. Nee, het was niet makkelijk om een nieuwe man in mijn leven toe te laten, maar het is beter zo.’

‘Soms belt mijn gsm en dan pak ik op. Mijn zoon vraagt dan of alles ok met me is. Ik antwoordt dan: ja, natuurlijk, waarom niet? Hij had toch gezegd dat ik moest bellen als er me iets overkwam en ik bel niet, dus is er toch ook niets…’ hij schudt zijn hoofd. ‘De jeugd heeft veel tijd voor dat soort onzin.’ Hij meent het, zowel dat van de jeugd als van de onzin. ‘Toen ik jong was, was er enkel werk. Mijn vader stuurde me naar een stuk grond waar ik in een schuurtje bij een ezel sliep. Ik moest er de grond bewerken en de ezel verzorgen. Om de twee weken kwam hij me halen voor een namiddag. Ik was veertien. In het begin was ik bang, maar ik moest flink zijn. Ik miste mijn moeder, maar mijn moeder had geen tijd meer voor mij. Er volgde na mij immers nog kinderen die haar aandacht en liefde nodig hadden. Ik huilde soms ‘s nachts, maar alleen ’s nachts, zo kon niemand me zien, ook al was ik er alleen. Ik nam me voor om nooit overdag te huilen. Ik had geen licht, geen stromend water en maar genoeg eten voor de dagen dat ik er was. Een keertje at mijn ezel mijn brood op en zat ik al die dagen zonder. De ezel was ik dus. Dat is me maar een keer overkomen. Daarna stopje ik het brood goed weg. Het was ook in die tijd dat ik zag hoe twee mannen gefusilleerd werden. Aanhangers van Franco brachten twee boeren naar mijn veldje. Ze wisten niet dat ik daar zat. Ik bad dat de ezel geen geluid zou maken. Ik hoorde mijn eigen hart bonzen. Wat er precies ging gebeuren wist ik niet, maar ik voelde wel dat het niet pluis was. Ik was een kind, als ik daar nu over nadenk. Ik begreep niets van de oorlog en thuis werd daar niet over gepraat. Ik was oud genoeg om te werken, maar te klein voor ernstige gesprekken. Trouwens over de oorlog werd niet gepraat. De muren hadden oren. Ik zag door het raampje van mijn schuur hoe die twee mannen moesten knielen en door de kop werden geschoten. De dode lichamen werden op een kar gegooid en weg gereden. De rest van de dag durfde ik mijn schuur niet uit. En dat is meteen het enige slechte dat ik ooit in mijn leven heb gedaan. Ik heb altijd geprobeerd om een eerlijk en nobel man te zijn, maar toen er na de oorlog aan de burgers werd gevraagd wie van de mannen in de rij op het gemeenteplein iets op hun geweten hadden, heb ik de twee schutters aangeduid. Mijn vinger trilde, maar ik wist heel goed dat zij het waren. Achteraf bedacht ik, wie was fout… in de oorlog is iedereen fout. Ik had dat niet moeten doen, maar ik was een snotneus en ik was bang.   …het is zo grappig dat ik nu mijn zoon aan de lijn krijg, die me vraagt of alles in orde is. Natuurlijk is alles in orde. Ik ben 86, ik heb eten, een dak boven mijn hoofd en een vrouw om bij te slapen. Ik heb het nog nooit zo goed gehad. En toch loop ik met dat ding in mijn broekzak. De jeugd is gek…’ hij lacht. ‘De jeugd is gek.’

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s