communicatie, mannen, Vrouwen

3 seconden New York

‘Is het niet prachtig?’ Hij keek over de stad en glunderde. Ik kon zien dat hij effectief intens genoot van het uitzicht. Ik gluurde zijdelings naar zijn gezicht.

Prachtig? Ik herhaalde zijn laatste woord langzaam, maar aan de intonatie kon hij horen dat ik het duidelijk niet met hem eens was. Net nog hadden we in de lift gestaan die ons pijlsnel naar het dak van de Empire State Building bracht, kort bij elkaar, te kort omdat er te veel mensen tegelijk naar het ‘prachtige’ uitzicht wilden gaan kijken of een of andere romantische film dachten na te spelen, maar dan met B-acteurs. Ik kon de geur in zijn hals ruiken, zo dicht stond ik. Mensen hebben de neiging om de ogen neer te slaan wanneer iemand te dicht staat, maar ik keek hem strak aan. Hij werd er een beetje zenuwachtig van, en aarzelde of hij zou glimlachen of niet. Ik liet mijn ogen glijden naar dat punt waar mijn borsten drie centimeter van zijn borst halt hielden. Een klein tikje in mijn rug zou ons doen botsen, maar in een volgepropte lift houdt iedereen zich ijzig stil. De angst andere aan de raken, ruik je. Je hoort ze.  Ik keek hem terug aan en glimlachte. Hij werd nog ongemakkelijker en ik vond dat lekker.

‘Niemand die hier ooit al kwam beweerde het tegendeel.’ Hij keek me streng aan, wilde me het zwijgen opleggen. ‘New York is mooi, New York is prachtig. Iedereen vindt dat en wie dat niet vindt is misschien niet rijp om het wonder te zien…. ‘ Ik knikte en zuchtte ‘jahh’. Ingaan tegen zijn overtuiging had geen enkele zin. Ik had hier geen missionariswerk te verrichten en ik wilde hem ook niet van zijn minuutje geluksgenot beroven. Waarom zou ik? Hij daarentegen was al aan het oordelen over mijn mening nog voor ik ze uitgesproken had. Klassiek voor onzekere mannen.

Mijn ‘jahh’ verwarde hem, mijn zucht maakte hem kwaad. ‘Kijk dan!’ hij wees met zijn handen over de stad in nachtjapon. Een donkereblauwe met gele en kleurige sterretjes…

Ik keek. ‘Wat zie je?’ Hij drong aan, wilde me perse doen zeggen dat ik onder de indruk was. ‘Ik zie beton, en steen, en electriciteit en domotica op een hoop gegooid en daartussen veel mensen en armoede en slechte te dure restaurants. Hier en daar een leuk museum, maar moest ik daar nu echt 10 uur voor vliegen?’

Hij pakte me opeens kordaat bij mijn schouder, draaide me zodat ik hem recht in zijn gezicht aankeek. ‘Doe je dat nu om mij te pesten? Daag je me uit?’ Zijn blik spuwde vuur. Ik schudde sloom het hoofd. ‘Nee. Ik zie niks moois, het spijt me. Geniet jij nu maar, maar ik voel hier niets.’ Ik was moe van een dag rondtrekken door een vuile, gore stad waarvan de magie me totaal ontging.

De magie die me beloofd was, het ontroerende gevoel van machteloosheid helemaal boven op die Emire State Building… geen van alles was mijn deel geweest, maar het  zijne duidelijk wel.

Ik wilde hem zeggen: ‘Ik stond jaren geleden in Foum Tataouine, net voor de stadspoorten, met de zoutvlakten achter me, de Tunesische woestijn en de uit rotsen gehouwen opening die je naar de stad leidde. Toen de man die bij me stond me toen vroeg: wat zie je, had ik geen woorden. Wat de natuur daar had gedaan, veroorzaakt, wat daar gewoon gebeurd was…was onbeschrijflijk mooi. En jaren later, toen ik mijn naakte lijf in het water liet glijden op het strand van Las Salinas in Ibiza en de lazy athmosphere proefde, de gelatenheid van het volk, en ’s avonds tafelde met de 20 jarige dwerg die een strand chiringito openhield en zijn 60 jarige minnares, een ex-prostituee die in de calle de la virgin nog steeds een sm-bar gaande hield,  overviel me wel enige vorm van melancholie, van verbondenheid ook met mens en natuur. Wanneer mijn dochter met haar mollige babylijfje tegen me aan kwam liggen, de tijd dat ik in Spanje zat,  en haar zandvoetjes op mijn dijen legde, haar duim in haar mond stak en op 7,5 seconden zichzelf in een diepe slaap zuchtte, hapte ik even lucht door de vergankelijkheid van het moment. Toen ik in Cyprus tegen een muurtje werd geduwd door een dronken matroos, hem een franke mond gaf en uiteindelijk toch nog een nummertje met hem maakte, omdat hij naast verkrachtersallures ook nog een aantrekkelijk lijf had, was ik even in de war van de tegenstrijdigheden die in een hoofd omgaan.

Maar op de empire State Building, daar voelde ik niets. Ik zag geen schoonheid, geen echtheid, niets om me over te verwonderen, te genieten, te wensen. Ik zag beton en staal en electriciteit en domotica, overgoten door peperdure inhoudsloze jasjesdragers met aan hun arm vrouwen met lippenstift van 450 dollar per stift en poedels met teenringetjes met diamanten op. Leeg, hol, koud. Oppervlakkig. En bij oppervlakkigheid voel ik meestal niets.

Hij kon me niet langer naast hem verdragen, de secondenspanning van in de lift was dood. Hij liet me onmiddellijk achter. Echt, hij liep naar de lift, verdween in de koker en ik zag hem nooit weer. En toen dacht ik: kijk, dit heeft wel iets, in de steek gelaten worden, op het dak van de Empire State Building. Opeens voelde ik wel iets, al duurde het niet langer dan 3 seconden.

 

Advertenties

2 thoughts on “3 seconden New York”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s