ja of nee?

Vijf kinderen. De oudste is 18. Dat gaat hier al sinds 1997 zo…

  • Ga jij niet antwoorden?
  • Had ik dat al niet gevraagd?
  • Moest jij niet gaan slapen?
  • Kan heel jouw vinger in je neus?
  • Vind jij dat nu zelf flink?
  • Zal ik u eens plat knuffelen?
  • Is dat voor jou dat er vandaag ijs is als dessert?
  • Zie jij mij zo hangen aan tafel?
  • Hoor jij mij zo roepen op je zus?
  • Versta jij me niet?
  • Zal ik u eens kietelen?
  • Praat ik met mijn mond vol?
  • Laat ik mijn eten half opgegeten op mijn bord liggen?
  • Sla ik de kat met de haarborstel?
  • En thuis moest je geen pipi doen, en nu ineens wel?
  • Ik zit toch ook niet zonder gordel in de auto?
  • Uw zus ligt toch ook niet in de zetel als we afwassen?
  • Lig ik met mijn voeten in de zetel?
  • Zal ik een stukje van uw huiswerk maken?
  • Draag ik je boekentas tot thuis?
  • Is dat beter?
  • Doet het nog pijn?
  • Zal ik pannenkoeken bakken?
  • Kom je nog lekker bij mij liggen voor we opstaan?
  • Lig jij nu nog in je bed?
  • Heb ik dat gedaan toen ik 16 was (meestal is het ja, maar weten zij veel)
  • Ik wil, ik wil, ik wil..ik wil zoveel, wist je dat?
  • Heb je nog koorts?
  • Moet je nog overgeven?
  • Doet je buik/keel/been/voet/tand nog pijn?
  • En wat zeg je nu? (ja mama, dank u mama, sorry mama)
  • Zeg, is er hier nu echt niemand die komt helpen?
  • En dat buiten spelen kan niet wachten?
  • En als ik tegen u praat, kijk ik dan niet naar u?

Lees ik vandaag dat je nooit een ja-neevraag mag stellen aan een kind. Toch niet als je iets gedaan wil krijgen. Moet ik nu helemaal opnieuw beginnen? Of was dat een ja-neevraag?


gastblog: Het maximumgewicht van de Eurosongbrug

Ik doe het niet vaak, maar af en toe. Nu, soms is er wel een goede reden toe: een gastblog.

Deze is van de hand van Stef Swinnen:

Het maximumgewicht van de Eurosongbrug

Een feest van verdraagzaamheid, dat moest het zestigste Eurovisiesongfestival zijn. Toen halfweg de puntentelling de uitslag deed uitschijnen dat Rusland een goede kans maakte om te winnen werden alle zeilen bijgezet om de boe-roepers in het publiek van koers te doen veranderen. Mirjam Weichselbraun, de blonde presentatrice greep in: “Hier gaat het niet om politiek, maar om de muziek die ons allemaal verenigt.” Building Bridges was het motto en om dat te bewijzen, benadrukte de alom aanwezige Conchita Wurst tijdens een gesprek met de Russische kandidate in de Green Room dat het meisjes verdient aan de leiding stond. Zweden deed daarna het tij keren, maar de boodschap dat we allemaal helden en kampioenen zijn, bleef door de uitzinnige zaal galmen. Wij, allemaal, kampioen. Behalve als je te dik bent?

Al jaar en dag is het Eurovisiesongfestival een feest van tegenstellingen, protserige glitter en holebivreugd. Rusland stuurde een paar jaar geleden een stel bejaarde dames, dit jaar kregen we een punkband uit Finland met leden met Downsyndroom en ook de eerste kandidate in een rolstoel maakte haar opwachting en ook die kon tijdens de halve finale op de sympathie van de miljoenen stemmers rekenen. Alles kan en alles mag op het grootste feest van de tolerantie, … behalve wanneer je geen maatje 38 hebt.

Zie ik het verkeerd wanneer ik beweer dat haar gewicht de Servische kandidate, Bojana Stamenov, de overwinning gekost heeft? Met haar stem was niets mis (integendeel), met haar nummer nog minder (het bouwde op van aantrekkelijke trage tot een heus Eurosong kitschfeestje) en met tekst van het nummer nog veel minder: de slagzin ‘Finally I can say: Yes I’m different and it’s okay’ ondersteunde haar boodschap van verdraagzaamheid als een goed gestutte brug. Waarom won ze dan niet? Omdat het niet genoeg is om ok te zijn, maar we allemaal helden zijn? Of gewoon omdat ze er naar Eurosong-normen niet uitzag. Zelfs Conchita Wurst vond de Zweedse winnaar een lekker dier en ook de Poolse rolstoelkandidate was de perfecte playmate op wielen. Als een dame geen decolleté tot op haar navel kan dragen, ook al heeft ze een stel longen om jaloers op te zijn, kan ze geen winnaar zijn. Van zolang mijn herinnering draagt heb ik trouwens nog nooit een dikkerd weten winnen. En werd Axel Hirsou vorig jaar ook niet afgemaakt als namaak Pavarotti voor hij ook maar iets had kunnen zingen, terwijl de opgepoetste Italiaanse playboys van dit jaar in hetzelfde genre een slechter nummer brachten en toch vlot tot de top drie doorstootten. Een beetje gay? Maar da’s okay? Een beetje obese blijkt dat niet te zijn. Voor dikkerds is geen plaats op het feest van de verdraagzaamheid omdat de bruggen die er worden gebouwd hun gewicht niet kunnen dragen.

Ik besef maar al te goed dat er mij een zekere bevooroordeeldheid kan worden aangewreven. Ik ben immers zelf niet van de magersten en heb ooit tijdens een optreden, iemand in het publiek horen zeggen: “Daar heb je die dikkerd weer, bah.” Maar laat me tot mijn verdediging zeggen dat mijn tolerantie geen grenzen kent. Als Conchita vorig jaar wint, omwille van wie ze is en het betere nummer van Nederland in haar plaats met de hitstatus gaat lopen, zie ik daar een zekere vorm van rechtvaardigheid in, maar meer niet. Als ik dit jaar de beste zangeres en het beste nummer zie struikelen, omdat de zangeres te dik bevonden wordt, als ik de denigrerende commentaren van Peter Van de Veire en grasspriet Eva Daeleman moet horen over Bojana Stamenov, dan weet ik het zo goed niet meer. Wie bruggen wenst te bouwen, doet dit maar beter niet enkel voor gestroomlijnde bollides, maar ook voor tientonners, en dat laatste schrijf ik met alle respect.


Vertrouwen

‘Wie kan je vertrouwen?’ Opmerkelijk hoe zo’n belangrijke vraag bij me binnen viel via een zo’n oppervlakkig medium: tv. De zin in de ondertiteling bleef op mijn netvlies langer staan dan op het effectieve scherm. ‘Wie kan je vertrouwen?’ Ondertussen volgde mijn alerte deel van mijn geest de rest van het verhaal van de reeks in weer net teveel afleveringen om boeiend te blijven. Mijn heel eigen deeltje van mijn geest, dat deel waarmee ik nu ook schrijf en waarvan ik af en toe – en ik weet het, de laatste tijd te weinig – jou een kijk geef op wie ik ben, zich plooide rond deze vraag. Ondertussen beantwoordde ik ook nog een vraag van mijn dochter. Iets in de zin van, wat ze de dag erop aan moest of het kan ook geweest zijn of ze de dag erop zwemles had. De inhoud van de vraag herinner ik me niet. Ik weet wel dat ik ze accuraat beantwoorde.

Elke geoefende moeder zal het met me eens zijn dat je moederlijke hoofd dat kan: danspakjes wassen en te drogen ophangen, de les opvragen, ondertussen de vis stomen en de calorieën tellen die je wint door geen boter te gebruiken, iemand anders – die net ook langsloopt en uiteraard ook het advies van mama nodig heeft, beantwoorden en toch nog dat ene plekje in je hoofd vrij hebben waar jij alleen bent met je gedachten. Het is met dat plekje dat je in de auto gesprekken voert met jezelf, soms luidop, presentaties reciteert, moeilijke gesprekken overloopt of luidkeels meezingt met de radio: een stukje geest van jou alleen, waar niemand aankan.

‘Wie kan je vertrouwen?’ Ik kauwde erop, woog het af met mijn waarden, draaide en tolde met de vraag tot ik met schaamrood op mijn wangen zat en mezelf erop betrapte het in mijn leven niet zo nauw te hebben genomen met die vraag. Minder nauw althans dan met de vraag: ‘ben ik te vertrouwen?’

Als dochter van een opgeklommen werkman leerde ik immers oprecht te zijn. Te oprecht misschien want in mijn jeugd moest ik vaak horen dat ik een grote mond had. Ik vond mezelf eerlijk en open. En in het bedrijfsleven vond men het nodig om me te bestempelen als ‘niet diplomatisch’. Ik vond mezelf ondersteunend in het managen van mensen, vruchtbaar op directiemeetings en waardevol bij beslissingen. Het kind heeft voor iedereen een andere naam. De oprechtheid waarmee mijn moeder me het leven instampte was te groot en ik heb moeten leren schaven en anders formuleren. De basis echter dat je te vertrouwen moet zijn, is gebleven.

Een ja is een ja, een nee is een nee. Veel later hoorde ik eens dat bij vrouwen een ja nee is en een nee ja, maar ik moet toegeven dat ik op die techniek hard heb moeten oefenen, om dan te ontdekken dat het nu net dat is wat mannen niet aan ons begrijpen… om dan toch maar weer naar het ‘niet diplomatische’ en de ‘grote mond’ over te stappen en verstaanbaar te zijn voor manlief. Een opluchting voor beide partijen.

‘Wie kan je vertrouwen?’ Wie nog nooit is bedrogen, belogen of misbruikt door iemand van wie hij het niet verwachtte, heeft niet geleefd of is een bedreven leugenaar. Meteen denken aan de oudste zonde ter wereld is te makkelijk. Bedriegen en beliegen gaat niet over het bed delen met iemand anders dan degene met wie je je verbond, op welke manier dan ook, althans niet alleen daarover.

Bedriegen en beliegen is een zieke adder, die bij de dag van je geboorte je leven inkruipt en een gitzwart slijmspoor achterlaat op elke dag waarvan je een blaadje van de kalender scheurt. Dat je perse in het eerste leerjaar perfect moet kunnen lezen? Dat is een leugen. Net zoals de idee dat je voor je achttiende maand echt wel moet kunnen stappen en brabbelen. Daar zijn curves voor en daar zijn studies rond gemaakt die met belastinggeld zijn betaald. ..feit is dat je tegen je zestiende, brabbelt, stapt en vlot leest. De leugen echter maakt je jonge leven meteen al ziek. ‘Nee, als je niet vlot leest op het einde van het eerste leerjaar, kan je echt niet mee in het tweede leerjaar. Dat wordt moeilijk…’ De leugen komt van iemand die je als kind zou moeten vertrouwen. Het bedrog stigmatiseert jou. ‘Jij dommerik, wat jij niet kan en eigenlijk zou moeten kunnen. Ik zeg jou dat, en mij kan je vertrouwen…’

‘Wie kan je vertrouwen?’ En dat ik voor je ga zorgen, aan je denk, met je meevoel, je waardeer… al die uitspraken die gemaakt worden in gezinsverband, op je werk, onder vrienden… hoe waar zijn die? ‘Wie kàn je echt vertrouwen?’

Gooide ik me met hart en ziel op de opvoeding van mijn kinderen…bleef er toch geen enkel kind gespaard van een leugen, een bedrog, een niet nagekomen afspraak. Erger nog, wellicht omgekeerd evenmin.

En we slikken. We knikken. En we vinden dat normaal. Bij elke belofte knikken we, schudden we de hand, ondertekenen we het contract wetende dat de partij die voor ons staat ons beliegt, bedriegt en misbruikt. Weliswaar niet altijd met voorbedachten rade, maar toch, de uitkomst is dezelfde.

Kom je in je leven niet altijd tot de eindsom dat je vrienden verliest, familie uit het oog raakt, collega’s van je vervreemden? ‘Wie kan je vertrouwen?’

En wat met jezelf? Verlies je in de emotionele en geestelijke evolutie die de meedogenloze jaren je samen met de rimpels opdringt niet ook het vertrouwen in jezelf? Verword je niet iemand anders, met andere waarden, andere normen en andere perspectieven? En kan je dan uiteindelijke niet alleen nog concluderen dat je per definitie niemand kan vertrouwen? En wapen je je dan niet tegen al dat wantrouwen door sneller over dingen heen te gaan, minder diep te gaan, oppervlakkiger te leven? Gelukkige verjaardag op facebook, 200 keer, van bekenden, half bekenden, onbekenden, lang geleden bekenden, bekenden van bekenden… Hoe oprecht wensen deze ‘–kenden’ je een gelukkige verjaardag? Wiens wensen kan je vertrouwen? Of is dat niet belangrijk?

Ons leven is doorspekt met leugens. De verkoper die je een product opdringt met de uitleg dat het het beste is. Voor wie? Voor jou of voor zijn commissie. Je slikt het bedrog. Je collega die belt dat hij ziek is, en of je kan inspringen. Eigenlijk wil hij een dagje vrij, moet hij naar de notaris voor een scheiding waar hij niet over praat of heeft hij een andere activiteit waarvan hij vindt dat het beter is ze te verzwijgen en ze te vervangen door een leugen. Je kind dat iets stukmaakt en kiest om het te verstoppen. Liegen is beter dan een straf riskeren, toch?

‘Wie kan je vertrouwen?’ Een oefening. Een vraag zonder antwoord, of wellicht geen onmiddellijk antwoord. Ik scan mijn omgeving. Het aantal wordt kleiner. Het aantal wordt akelig klein. Het aantal wordt dermate klein dat ik een beklemmend angstgevoel krijg om eenzaam te sterven, hand in hand met de enige echte. ‘Wie kan je vertrouwen?’ Echt?


Don’t you just loooove people…

Sinds korte tijd neem ik weer af en toe de trein. Het maakt deel uit van mijn project ‘onthaasten 2015’ Je kan niet sneller dan de trein gaat en meestal ben je te laat.

Nee, klopt niet: het is gewoon noodzaak. Mijn klant heeft zijn kantoren in centrum Brussel en iedereen die zich op spitsuur over de Wet of Beliard waagt is of levensmoe of kamikaze. Ik heb het één keertje geprobeerd. Het goot water. Ik gooie me dus stoer en vol overgaven in het verkeer en werd na letterlijk twee en een half uur filerijden (voor 20 km) aangereden door een ‘sans papier’. Hij vond dat ik hem 150 euro moest betalen omdat hij schade had en ik niet. De camionette van zijn baas – daarna bleek ze van zijn vriend – had naast de 3432455 blutsen ook nog een kras op de voorkant. Stel je voor! Die kras, dat kreeg hij niet uitgelegd. Met 150 euro in zijn zak, vast wel beter, zo probeerde hij.

Ik vond van niet. Onmens dat ik ben. De politie heb ik er nu ook weer niet bijgehaald. Leven en laten leven, het is een levensmoto dat vreugde brengt. Wees het maar met mij eens.

De vergadering waarvoor ik me in het verkeer had gegooid heb ik nooit gehaald.

Sporen dus, het is geen keuze, het is de enige optie. Nu, ik ben hoe dan ook al niet zo gek op dingen en plaatsen waar veel (vreemde) mensen met hun handen aanzitten: deurknoppen, spoelknoppen van openbare toiletten, bancontactautomaten, winkelkarretjes – Ik ben een van die meisjes die altijd met een flesje ontsmettende handgel in haar tas reist. Het openbaar vervoer is dus … de hel. Dat plekje waar jij je hoofd tegen legt, daar hebben al zoveel mensen voor jou hun haardos neergevlijd, geef toe, walgelijk. Die handvaten om in en uit te stappen… waar zitten die handen allemaal voor ze dat ding aanraken. Ik wil er niet aan denken!

Nee, ik heb geen smetvrees en ik drink met plezier van je glas, als er tenminste iets in zit dat ik wel lekker vind, maar er zijn grenzen. Als je pech hebt op de trein, zit je naast iemand die in zijn haar zit te krabben, velletjes uit zijn oor of neus zit te halen of huidschilfertjes zit te verzamelen. Niet iedereen heeft bovendien de gewoonte om zich dagelijks aan een ochtendritueel met water en zeep te onderwerpen. Ook dat is snel duidelijk op de trein.

En dan zijn er naast de ‘snuiters’, ‘niezers’ en ‘krabbers’ ook nog de ‘ontbijters’. De broodzakken van Panos hebben succes bij de spories. De kruimels met gecarameliseerde suiker vliegen in het rond en blijven ongegeneerd hier en daar plakken: aan de stoel, je schoenen, je kleren, je haar.. zeker als de ontbijter ook een niezer is. Je ziet het beeld voor je.

Wanneer die suikerbom is binnengewurgd, wordt de Panoszak in een worstje gewrongen en in de kartonnen koffiebeker geduwd. Koffie drinken we blijkbaar sinds kort uit van die witte kartonnen bekers met plastic sluitstuk dat doet denken aan de tuimelbeker van een éénjarige. De hete brei proeft naar plastic en chemische brol en heeft niets meer te maken met de koffie die mijn moeder met filter en versgemalen bonen destijds opschonk in onze donkergroene seventies keuken. (mijn moeder zou vandaag een trendy ‘vintage’ keuken hebben, bedenk ik opeens, met bloemenbehang en al). Die half leeg gedronken koffiebeker, met Panosworst erin, wordt dan ‘ergens’ achtergelaten, bijvoorbeeld onder een bankje, naast de deur van de lift, naast de vuilbak… maar vooral niet ‘in’ de vuilbak. Waarom? Geen idee. Ik denk dat het merendeel van de mensen die de trein nemen in zo’n huis wonen dat je wel eens ziet in de realityseries: ondergesneeuwd in vuil, kakkerlakken en schimmel. Of wordt de oeroude schoolse vraag:’ doe jij dat thuis ook?’ ook hier nog steeds beantwoord met ‘nee mevrouw’. Ik hoop het.

Als je het perron dan overleefd hebt en je heist jezelf op de trein, wordt je schaamteloos aan de kant geduwd. Leeftijd en geslacht zijn onbelangrijk. Het ergste zijn die hippies met hun plooifietsen. Jongens aub, een plooifiets, wie heeft dat nu ooit bedacht? Ik hou me niet in om af en toe zo’n boer die een pedaal in mijn bil priemt recht aan te kijken. Ik stop dan ook werkelijk. Ik hou de file drummende beesten op en kijk hem aan. Vragend? De onwennigheid die ermee gepaard gaat bij meneer plooifiets. Onwerkelijk. De angst in de ogen: ‘die gaat mij toch niet aanspreken!? Stap nu in, mens’. Hilarisch, maar tegelijk intriest. Waar is de tijd dat mannen vrouwen lieten voorgaan? Is die gewoonte afgeschaft sinds wij mee instaan voor het bijeenscharrelen van het maandelijkse gezinsinkomen? Ik zie dus nooit, maar ook echt nooit iemand zijn plaats afstaan voor een vrouw, een zwangere, een oudere man. Ik stam uit een andere generatie, ik kan niet anders dan dat besluiten.

Liever duiken we achter het scherm van onze smartphone, tablet of e-reader. Stel je voor dat je met iemand zou moeten een blik wisselen, laat staan een gesprek voeren… Nee, dank u. Ik drink mijn plastic beker, ik draai mijn Panoszak in een worst en ik dump de boel ergens neer. Ik drum iedereen opzij en zorg dat ik kan zitten en dan verdwijn ik in mijn eigen wereld: candy crush.

Kijk, ik wil een voorstel doen, een hand uitsteken. Ik ben geen mensenhater, integendeel. Als je nu eens gewoon ouderwets een gesprek wil aangaan, al is het maar over het weer, mag je naast mij komen zitten op de trein of op het perron, tenminste als je belooft niet in je oren te peuteren, geen schilfers uit je haar te pulken, geen meeëters uit te pitsen en geen Panoskruimels in mijn richting te niezen. Deal? Deal!


Skinny jeans

Ik herinner me mijn moeder met de speldjes in haar mond. Ze praatte dan murmelend. Ik vond dat beangstigend. ‘En slik je dat nooit in, zo’n speldje’ durfde ik wel eens te vragen waarop mijn moeder mij een bedenkelijke blik toewierp. ‘Draaien!’ gebood ze me dan. Wij moesten dan op een stoel, of toen we nog kleiner waren, op de tafel staan. ‘Langzaam ronddraaien!’ zuchtte mijn moeder. Centimeter per centimeter speldde ze de zoom van onze broek af. Om dat helemaal juist te krijgen, moesten we ook schoenen aan. En wel die schoenen die we (meestal) onder die specifieke broek zouden dragen.

Minutieus naaide mijn moeder de zoom, steekje per steekje. Die zoom was kaarsrecht. Je kon er je lat naastleggen. Zo vaardig deed ze dat. Uit liefde voor haar kinderen, ja, maar ook vanuit het standpunt dat die zoom goed moest vallen.

Het was belangrijk dat je broek lang genoeg was, niet te lang, maar vooral lang genoeg. Een te korte broek refereerde immers aan tijden van haar jeugd, toen er geen eten was, armoede en je je broeken moest dragen tot ze van je billen vielen, ook als ze te kort waren. En wij waren thuis eerlijke, hard werkende mensen, die genoeg geld hadden om een degelijke broek te kopen, op de juiste lengte.

Ook de ceintuur van een broek of rok kon mijn moeder helemaal netjes op maat maken. Een vinger moest er tussen je buik en je ceintuur kunnen glijden, haar vinger, haar wijsvinger, vaak met een rood gelakte nagel eraan. Ze wriemelde dan haar roodgelakte wijsvinger tot net aan het eerste kootje tussen je bloese en je ceintuur van je broek. Gleed die vinger soepel heen en weer over je buik, dan zat het goed. Ging het stroef, dan werd de naad uitgelaten en hersteld.

Dat was belangrijk toen, net zoals gepoetste schoenen en gekamde haren.

Vanmorgen zat ik op de trein. Een groep pubermeisjes kwamen de coupe binnen. Ze droegen net als wij vroeger een uniform. Met dat verschil dat ons uniform – blauwe rok, wit hemd, blauwe trui – opgelegd werd door de nonnen en dat het uniform van vandaag uit eigen initiatief wordt gedragen. All Stars, Nikes of New Balances, een donkergroen parka, een T-shirt met nonsensopschrift, het haar in een zijstreep en al net iets te lang niet meer geknipt en een jeans. Alle meisjes, maar werkelijk alle meisjes hun broek was te kort en te smal. Geen enkel meisje was door de strenge keuring van mijn moeders’ argusoog geslipt, geen enkel. Haren worden eigenlijk ook niet meer zo gekamd, ook niet de hele lange lokken, die hangen in klitten over je schouder. Schouders die krom staan van het iphonen of een of ander duimenspel. Schouders die een romp ophouden die ofwel wordt samengeperst door een veel te strakke jeans ofwel half over de heupen sloddert, maar allemaal zitten ze veel te strak rond de benen. Zo strak dat er horizontale rimpels onstaan, zowel vlak onder de kont, als rond de knieën. Afschuwelijk. En die meisjes noemen elkaar dan ‘Bitch’ of ‘Trut’ en dat kan. Ze kauwen kauwgum met open mond en zitten met hun benen open. Hun allstars zijn ooit wit geweest, hun T-shirt wordt niet gestreken. (mama heeft het druk)

Ik voel een beetje medelijden. Niet met de meisjes, maar met mijn moeder die hartpijn zou hebben moest ze deze bende jonge vrouwen zien. Ze zou hun jas rechttrekken, hun haren vlechten en haar roodgelakte vinger tussen hun ceintuur laten glijden en bedenkelijk nee schudden.

…mijn moeder is niet meer, al lang niet meer. Ik werd deze maand 43 en ik naai geen zoompjes noch ceintuurjes goed voor mijn kinderen. Ik kocht ze wel allemaal een iphone…De wereld gaat om zeep, zo denk ik dan. En dàt heb ik wel gemeen met mijn moeder, zij zuchtte dat zoveel jaren geleden ook al.


Werk aan de winkel

Net wanneer ik met mijn hand naar de deurknop reik, legt ze haar hand op mijn borst. Zij doet dat, ongegeneerd aanraken. Voor haar is je arm of je borst of je hand allemaal hetzelfde. De eerste keer schrok ik. En zij schrok van mijn reactie. ‘Waarom schrik je nu?’ vroeg ze me. ‘Ik weet niet’ stamelde ik verlegen. ‘Je raakt mijn borst aan. Dat is toch intiem.’ Ik vond mezelf best flink dat ik zo eerlijk antwoordde, maar zij lachte me in mijn gezicht uit. ‘Intiem?’ Ze gooide haar hoofd in haar nek. Meer zei ze er niet over. Later zou ze me daar nog eens op wijzen. ‘Jij weet niet wat intiem is! Een borst aanraken, dat is niet intiem. Jij bent jong en je bent daar mollig. Ik klop je liever daar dan op je arm, maar intiem is dat niet. Wanneer je 10 jaar lang bij je ouders op de kamer slaapt en je hoort hoe je drie broertjes gemaakt worden, hoe je moeder zich verzet omdat ze weet dat ze nog een kind erbij geen eten meer kan geven, als je hoort hoe je moeder smeekt en huilt en uiteindelijk vraagt om haar oudste dochter te nemen… dàt is intiem.

Wanneer ze zo praat, heb ik geen woorden. Wat deze vrouw als verhaal meedraagt, daar heb ik geen antwoord op.  Haar leven is in niets vergelijkbaar met het mijne. Ze heeft  gelijk.  Meestal. En wanneer ze geen gelijk heeft, draait ze het verhaal zo dat ze toch gelijk heeft, maar zij mag dat. Haar gezegende leeftijd van 86  (soms zegt ze 88 en soms zegt ze 96 – niemand weet echt hoe oud ze is) geeft haar meer vrijheden dan anderen.

 Ze trekt haar hand van mijn borst weg en maakt met haar arm een wijds gebaar. ‘Hier’ fluistert ze. ‘Hier was de winkel van mijn moeder…’ ze knijpt haar ogen tot spleetjes om op die manier in het verleden te turen. Ze klopte nog een keer op mijn borst. Ik deinsde onbewust toch een beetje achteruit. Ze wenkte me met haar kromme vingers. ‘Luister!’ gebied ze. ‘Ik weet dat jij van mijn verhalen houdt. Maar zij daar…’ en ze wijst met haar kromme vinger naar de keuken achter haar. ‘zij zijn mijn verhalen beu. Ze zeggen dat ik moet ophouden met telkens hetzelfde te vertellen en zij willen nieuwe dingen horen, maar wat er vroeger is gebeurd, dat is zo prettig om te vertellen. Als ik vertel van vroeger, dan voel ik dat ik leef.  Wat er vandaag gebeurt in de wereld is zo vermoeiend. In de winter kijk ik naar tv, daar hoor je waar de wereld mee bezig is. Kind toch, ik word daar zo moe van. Vroeger… hm! Ze schept met haar kin lucht. ‘Vroeger…’

 

In de keuken zitten haar dochter en haar man. Dat het niet echt haar man is, vertelde ze me al tijdens onze eerste ontmoeting. ‘Voila!’ sneerde ze. ‘Nu weet je het, want als ik het je niet vertel, komt er toch wel een van de pilaarbijters bij je langs om mijn verhaal te doen. Nee, hij is niet mijn man, maar ik ga elke dag te biechten bij mezelf in de spiegel en bij mijn god, daar moet ik zijn. Niemand anders heeft zaken met wat ik doe. En ik weet dat ik geen slecht mens ben. Ik heb veertig jaar voor mijn man gezorgd, gekookt, zijn kleren gewassen, zijn kinderen gebaard. Ik ben een goeie vrouw geweest voor hem. Dat zei hij zelf ook. Maar hij is jong gestorven en ik leef. Moet ik dan elke dag naar zijn graf rijden en daar zitten huilen? Nee toch, dat kan geen enkele god van mij verwachten. Die God heeft me al mijn deel gegeven, meer krijgt hij niet. ‘ Ze knikte en ging verder met tomaten schillen.

‘…En op een avond ging ik dansen hierin het dorp en toen zat hij daar. Ik weet wel dat die twee oude zusters van hier boven op de berg hem uitgenodigd hadden. Ze wilden me koppelen, maar ik heb toch zelf gekozen. Denk je nu echt dat ik een man in huis zou nemen die me niet aanstaat? Ha! Dan ken je me nog niet. Maar hij kan goed dansen en hij doet me lachen. Hij heeft een eigen huis en eigen kinderen en hij is een lief en goed man. En op onze leeftijd ziet geen enkele man er nog goed uit, maar als ik ’s avonds mijn ogen sluit terwijl hij me streelt, denk ik dat hij twintig is.’ Ze lacht luid en schaamteloos. ‘Ik heb hem dat gevraagd he, voor we iets begonnen. Dansen dat kon hij maar kon hij ook nog iets in bed en hij zei ja. Voila, meer was er niet nodig he. En nu leven we samen. Elke dag gaat hij naar zijn huis om de planten water te geven en het huis te luchten. En zijn kinderen ontvangt hij ook daar en soms hier. En iedereen is gelukkig. Maar trouwen, nee, daar begin ik niet aan. Waarom zou ik? Zie je me al staan voor het altaar? Je kan verdragen dat God met je lacht en je kan zelf ook met God lachen, maar we moeten niet overdrijven he.’

Ik kijk haar verwonderd aan. ‘In mijn land leven mannen en vrouwen al jaren bij elkaar, ‘in zonde’ zoals dat heette destijds. Niemand kijkt daar nog van op.’  Ze vouwt haar ogen tot spleetjes: ‘dat maakt het nog niet goed he, omdat iedereen het doet. Nu, jij hebt dat woord gebruikt, ik niet he: zonde, maar ik weet dat ik geen zonde bega, voor mij is dat genoeg.’  Ik wil me nog verduidelijken, maar ze geeft me geen tijd.

Diepgaande zaken, zoals deze, haar keuze om ongehuwd samen te leven, haar incestverleden, de pijn die ze als kind verdroeg… daar praat ze altijd tussendoor over. Dat zijn niet de grote thema’s van haar verhalen. Het zijn bijzinnen. Kanttekeningen. Je draagt wat het leven je geeft en je blijft lachen.

Haar man – die dus haar man niet is – zei me ooit eens smakkend aan het gegrilde ribbetje dat ze hem voorschotelde: ‘ja, koken kan ze, maar gisteren zei ik nog voor we slapen gingen: doe je benen open, ik kan er niet tussen, doe je benen nu open, maar ze wilde niet. Een vrouw die kookt, maar in bed niet wil… wat heb ik daar aan?’

Ik ben niet snel beschaamd, maar als twee oudjes op die manier over hun seksleven praten, vind zelfs ik dat net iets minder makkelijk te plaatsen. Ik keek haar aan, haar reactie aftastend. Ze snoof: ‘zeg, kijk niet zo he! Alsof jij elke dag evenveel goesting hebt. Bovendien ik ben ook geen kuiken meer he en ik mag dat, af en toe eens nee zeggen.’ ‘Ha! ‘knorde de man, ‘dat klopt, af en toe. Meestal moet ik nee zeggen.’ Ze lachten luid, hij porde met zijn duim vol vet tegen haar ribben en zij tikte met haar glas wijn tegen het zijne en bevestigde: ‘zo gaat het leven. Zo gaan de dagen voorbij. Tot God ons komt halen.’  …’zeg voor God ons komt halen, schenk me nog even wat wijn bij, lief kind. Voor wie staat hij hier anders?’ En zij, gedwee en toch weer gecharmeerd door zijn streken, laat de zelf gebrouwen wijn in zijn glas vloeien. Ik weet dat deze twee gelukkig zijn samen, omdat ze dat willen, omdat er niets anders rest, omdat het leven soms zo simpel is.

 

Ik was mooi toen ik jong was.’ Ze lacht trots. Ik geloof haar. Ze is kort afgesneden en een beetje ronder dan de doorsnee oma, maar dat ze een mooie vrouw is, dat staat buiten kijf. ‘Hier’, zwaait ze met haar arm, ‘hier had mijn moeder winkel.’ We staan in de hal van haar huis, dus ik kan me moeilijk voorstellen dat je hier een winkel kon houden.  ‘Hierachter was de toonbank.’ Ze klopt op een plaasteren muurtje dat de hal van haar slaapkamer scheidt. ‘En aan de muur had mijn moeder een rek met eten, conserven, bokalen, lucifers, tabak, soms ook vlees. Wie op weg was met paard en kar, stopte hier om iets te drinken, of te eten en soms namen ze ook wat koopwaar mee voor thuis of voor onderweg. Dat was niet altijd makkelijk onder de plak van Franco.Mijn moeder wikkelde producten in andere en nog in andere om toch maar te kunnen verkopen. We moesten leven he. Maar ik was gelukkig toen. Ik was klein en dom en dus was ik gelukkig. Het is makkelijk om gelukkig te zijn als je dom bent.’ Ze ademt zwaar. Haar hart is niet in beste staat. Vorig jaar werd ze onderzocht en zei de cardioloog dat ze moest rusten en medicijnen nemen. Sindsdien gaat ze maar elke twee weken meer dansen en neemt ze elke ochtend in de bar van haar neef schuin over haar huis een halve liter rode wijn, een toast met varkensvlees, tomaat en olijfolie. ‘Wijn is goed voor alles’ zegt ze. ‘Voor alles.’

Haar vader zei haar dat ook, wijn helpt. Hij gaf haar een paar slokjes en soms een heel glas voor hij zijn gang ging. ‘Ik wist niet dat dat niet mocht’ lacht ze. ‘Mijn moeder kon het niet langer aan met hem en dus moest ik het overnemen. Elke nacht bloedde ik mijn lakens vol, tot een buurman me hier weghaalde en me naar mijn grootouders stuurde. Mijn oma had hulp nodig in huis en ik was twaalf, dus ik kon wassen en strijken en poetsen en de dieren verzorgen. Voor mij werd alles beter toen. Mijn grootvader was niet zo gulzig als mijn vader in bed en zijn ritme lag ook lager, maar ik miste de winkel. En ik hoorde mijn grootmoeder huilen wanneer hij bij me in de kamer kwam. Ze kloeg en jammerde dat het moest stoppen dat ik nog maar een kind was, maar ik wist dat zij ziek was en niet kon. Zo ging dat.  Overdag wanneer ik klaar was met de taken in huis, ging ik bij de dieren en mocht ik ze door hun vacht kroelen. Ik vond dat lekker. Ik duwde mijn neus in hun vacht en voelde me warm en veilig. Maar de winkel ben ik altijd blijven missen. Toen mijn moeder overleed en mijn oom me kwam halen, had mijn neef de winkel al overgenomen. Ik vroeg wanneer ik kon komen werken, want dat de winkel van mij was. Hij lachte luid en stuurde me weg. Vrouwen hadden niets te zeggen, kind, wij waren volgers, uitvoerders. Wij verdroegen.

…ik heb een goed leven gehad. Rijk. Ik heb weinig honger gekend. Ik heb twee gezonde kinderen, drie kleinkinderen, een achterkleinkind. En morgenavond ga ik dansen. Geef toe, het leven is mooi, toch?  Zorg nu maar dat je kinderen je winkel kunnen erven. Het is een bron van inkomen, van plezier. Werk nu maar aan die winkel van jou. Kom, vertrek, ik ga een dutje doen.’


Werpen, die eerste steen

Komt een vrouw bij de dokter… in 2009 werd deze prent die euthanasie, vreemdgaan en kanker op een hoopje gooide een kaskraker. Misschien, maar deze vrouw bij de dokter werd wel geholpen door die dokter. Haar man die er lekker op los neukte met al wat wilde en niet wilde, ook. Zo gaat dat in Nederland. Iedereen heeft recht op gezondheidszorg. In België net zo.

Toen ik destijds – zeven maanden zwanger – werd aangereden door een dronken bestuurden en in de ziekenwagen haastig naar het ziekenhuis werd gevoerd, vroeg ik de verpleger om ook mijn aanrijder niet uit het oog te verliezen. Hij antwoordde me: ‘wij hebben de taak om elk leven te redden, ook dat van dronken wetsovertreders.’

Vandaag wil 1 op 4 Vlamingen niet meer dat een zieke buur geholpen wordt omdat hij rookte, dronk, drugs nam of te hard reed.  Eigen schuld dikke bult. Dit principe doet een andere slogan door mijn hoofd razen, eigen volk eerst. Beide bol van egoisme en gekant tegen alle solidariteit.

Ik verdraag al jaren dat mensen incompetent in het bedrijfsleven staan. Ik verdraag al heel mijn leven onvriendelijke loketbedienden,  mensen die hun hond op de stoep laten poepen. Ik verdraag het gebonkt uit de luidsprekers van Johnny in zijn BMW 3 voor mijn deur. Ik verdraag dat, omdat ik in deze maatschappij functioneer. Of ik dat altijd even prettig vind… moet daar een antwoord op gegeven worden.

Ik word misselijker van de rigiditeit waarin deze maatschappij stilaan evolueert. Terwijl we elkaar met de meest banale dingen koning kronen op complimentendag, ontzeggen we elkaar wel medische zorg de dag erop.

Trouwens, zij die niet roken dragen geen rotte cent bij aan de staatskas die lekker gespijsd wordt door rokers. Bij elke inhaal van hun sigaret, klingelt de kassa der accijnzen. Concreet krijgt de seut die heel haar leven geen ene cent bijgedragen heeft aan de accijnzen voorrang bij een operatie? Waarom?

Gaan we nu echt blijven hypocriet doen?  Is roken schadelijk? Is alcohol schadelijk? Krijgen we teveel obesen door de suikers in alle voeding? Schaf het dan af! Verbieden! Volledige drooglegging. Maar vooral niet komen huilen dat straks er een tekort is in de staatskas.

Ik ben altijd van het principe geweest dat wie niet wil functioneren in de maatschappij waarin hij leeft, moet ophoepelen. Een berg met zes geiten is een metafoor dat ik al eens gebruik. Met het licht en de lucht en het geblaat van zes geiten kan weinig je nog storen en als het geblaat te luid wordt, biedt een scherp mes op het arme beest zijn keel soelaas. Vandaag moet ik zeggen, dat ik mijn rugzak klaar zet. Die plek op die berg met zes geiten zou weleens de mijne kunnen worden. Ik weiger te functioneren in een verzuurde maatschappij, waarin iedereen vooral en in eerste instantie zijn eigen rug krabt – om het maar eens met een vervormd anglicisme te zeggen.

Ik pleit al jaren voor een beetje meer onbaatzucht en vrijheid. Wat is er in ons land trouwens godverdomme gebeurd met vrijheid, blijheid? Heb je in je leven wel eens gerookt? Gelogen? Drugs genomen? Gemanipuleerd? In de douche geplast? Met je mond vol gepraat?  Gestolen? Een borrel teveel gehad? Onveilige seks gehad? Te hard gereden? … sorry, dan kan jij geen medische zorg krijgen, althans niet bij voorkeur.

Ik verzet me al lang tegen de leer van de katholieke kerk, maar in één ding kan ik ze geen ongelijk geven: wie vrij is van zonden, werpe de eerste steen.