Jurken en Duvel
Geplaatst op: mei 16, 2010 Gearchiveerd onder: communicatie, mannen, Uncategorized, Vrouwen | Tags: Duvel, fashion, jurken, mode Laat een reactie achter »Dat ze dan maar een andere job moet gaat zoeken, want dat ze na vijfentwintig jaar in het vak ondertussen wel weet wat mode is en wat niet. Ze blaft en elke ‘f’ en ‘t’ die ze uitspreekt, gaat gepaard met een onaangename lucht uit haar mond. De geur van ‘ik eet niet want ik wil slank blijven en dus ruik je mijn verzuurde maaginhoud’ Ze is amper 1.60 meter hoog en heeft rimpels waar mijn dochter van twee haar pink in verdwijnt. Ik bijt op mijn lip.
‘Die hangtieten van u, is dat dan ook mode?’ wil ik haar toesnauwen, maar ik hou het beleefd. Ik ga ervan uit dat ze gefrustreerd is, slechte of helemaal geen seks heeft of misschien ooit wel heel erg mooi was en nu schrikt als ze de zus van Frankenstein in de spiegel ziet. De huid op haar knieën trilt wanneer ze stapt. Dat is eigenlijk al een erge straf genoeg, maar ik denk…’ik hou me in, straks krijgt ze antwoord en het zal vast niet van mij komen.’
‘Ik vind de jurk te kort’ zeg ik rustig. ‘Ik hou er niet van als mijn knieën bloot zijn’ en ik werp een veelbetekenende blik op haar scharnieren. ‘Ja, dan houden we ermee op. Ik haal geen enkele jurk meer uit, want kort is de mode.’ Ze maakt met haar handen een nee-gebaar, schudt het hoofd om haar woorden kracht bij te zetten. Ik glimlach rustig, draai om en om voor de spiegel. Ik wrijf over mijn borsten die lekker strak zitten in de jurk. De grijze organza valt heerlijk soepel over mijn heupen, maar reikt net niet ver genoeg. Een te korte jurk maakt dik en dat kan ik nu net missen als de pest.
‘Tja’, zucht ik ‘1.80 meter zijn is niet altijd een luxe.’ Ik glimlach naar mijn man die zich in de gecapitonneerde club heeft gevleid. Die eenzit staat daar voor mannen. Zeker weten. De geur van het leder ruik je tot tien meter ver. Hij moet er duur uitzien, duur ruiken, want de man die daar zit heeft de kredietkaart en mag zich niet goedkoop bediend voelen. Mijn man speelt mee. Hij las mijn ergernis over haar onvriendelijk gedrag feilloos. ‘Jij ziet er met je 1.80 meter onnoemelijk lekker uit. Het is gewoon die jurk die tekort schiet.’
Aaahhh! Hij sprak de magische woorden. Het lijkt of mevrouw stinkbek heeft het geroken. Ze blijkt toch nog een pààr jurkjes te hebben hangen die in aanmerking komen, maar om me te pesten brengt ze me een maatje 40. ‘Nee, jouw maat hebben we niet, niet alle merken leveren zo’n grote maten.’ Hij zwijgt mijn man, maar hij schuifelt in zijn zeteltje.
De beige zijden jurk in maat 40 pas ik niet, al de andere wel. Ik doe het langzaam, draai voor de spiegel, denk na. Dat mag. Het is mijn tijd en mijn geld. Nu ja, ook een beetje zijn geld. Hij zit, kijkt en levert commentaar soms zegt hij radicaal nee. Bij de rode bijvoorbeeld. Tijdnes het omkleden laat ik het gordijntje een stukje open staan. Hij gluurt.
Zijn geduld is eindeloos. Het hare niet. Ze helpt ondertussen een andere klant verder en wil mij perse in een giletje heisen, een geel, pastel. Ik schud het hoofd en ze wordt kregelig. Na een tijdje begin ik de stukken die ik gepast heb bij elkaar te rapen. Het groene jurkje, de ceintuur, het halssnoer en het zwarte truitje erbij, het grijze jurkje met de rode sjaal en het bijpassende kralensetje, de zwarte jurk met het gestipte truitje en de bolletjessjaal. Ik leg het op de tafel aan de kassa.
‘Dus, niets gevonden?’ vraagt ze zuchtend. ‘Euh, jawel, dit.’ Zeg ik en ik wijs naar het stapeltje kleren. ‘Je neemt dit?’ ze trekt haar wenkbrauwen omhoog. ‘Allemaal?’ ‘Is dat een probleem?’ opeens begrijp ik haar ergernis van daarnet. Ze dacht dat ik paste maar niet ging kopen. Opeens heeft ze het licht gezien. ‘Natuurlijk mevrouw, zal ik de etiketjes al afhalen voor u of doet u het liever thuis?’ Ik heb geen zin om mee te gaan in haar humeurswissel en snauw, ‘gewoon inpakken.’
Met trillende handen tikt ze de bedragen op de prijskaartjes op haar rekenmachine. Ze durft het totaalbedrag niet uit te spreken, scheurt het ticketje van het rolletje en legt het me voor. ‘Zo, dan…’ giechelt ze. Ik antwoord niet en duw de bankkaart in het toestel, geef de code in en leg mijn hoofd tegen mijn man zijn schouder. Aanvaard zegt het bancontacttoestel en het piept.
‘Heeft u een klantenkaart of zal ik u er eentje maken?’ Ik wil nog antwoorden maar mijn man gritst de zak kleren al van de tafel. Ik volg hem zwijgend en glijd met mijn heup onder zijn hand door eens we buiten staan. ‘Je ziet er verrukkelijk uit, in al die jurken’ knort hij in mijn hals, ‘maar nu heb ik dorst…’ Ik schater ‘Deal!’ en wijs een leeg tafeltje op het terras aan.
Het elfde gebod: bezit me
Geplaatst op: mei 16, 2010 Gearchiveerd onder: communicatie, mannen, Uncategorized, Vrouwen | Tags: god, nonnen, ontrouw, professoren, universiteit Laat een reactie achter »Ik was acht, denk ik. In gesprek met mijn vader hoorde ik hem zeggen: ‘Als eraan denken, zo zondig is al het echt doen, zoals in de bijbel staat, ja dan doe ik het liever.’ Mijn vader bulderde. Ik begreep niet, maar voelde iets vunzigs. Toen ik eens met een dood lieveheersbeestje zat te spelen, gehurkt in de tuin gilde mijn zus: ‘Eik mama, ze speelt met een lijk!’ De heerlijke dramatiek van haar uitspraak ontging me, maar het woord lijk, dat klonk even vunzig als die uitspraak over denken en doen.
Ontrouw, daar ging het natuurlijk over. Eraan denken is even zondig als het doen, althans volgens God. God zij dank, ben ik niet gelovig want ik zou met nog 54245878454223 meer frustraties zitten dan nu. ‘God’ zij dank mag ik denken en fantaseren en er nog met rode wangen van genieten ook.
Emotionele ontrouw, hoever reikt die definitie? Zonder handen is geen ontrouw, zei ik ooit en de man in kwestie was het onmiddellijk met me eens, ritste zijn jeans los en duwde mijn hoofd omlaag. Euh, de lippen stijf op elkaar stampvoette ik. Hoe ontrouw ben je als het zich in je hoofd afspeelt? Mindfucking…zoals dat vandaag heet. Is dat ontrouw?
Wel dan ben ik bezoedeld, maar dat wisten de nonnen twintig jaar geleden al van me. Ze zeiden het ook. ‘Jij, jij hebt kwaad bloed’ en ik wilde zo graag denken dat ze het over menstruatie hadden. Helaas. In de veronderstelling dat de nonnen de uitspraak: ‘It takes one to know one’ niet kenden, wil ik hen nog vergeven, voor deze toch.
‘Intimiteit en amoureuze openhartigheid met een derde, ook al is dat zonder handen, is ontrouw.’ Zo staat het in onderzoeken van universiteiten en professoren kunnen het weten, net zoals de nonnen. ‘Vrouwen reageren meer gekwetst op emotionele ontrouw dan mannen. Voor seksuele ontrouw is het net andersom’. De wijze mannen zeggen het zo, maar mijn persoonlijk onderzoek leert me anders.
Alle mannen aan wie ik vraag of emotionele ontrouw bestaat schudden het hoofd en ook het lijfelijke is meestal onbeduidend. En of ze er ook zo over denken als hun vrouw het doet? ‘Mijn vrouw? Die doet dat niet.’ Echt, zo gaat het telkens weer. Sommigen twijfelen even en zeggen dan: ‘allez, dat denk ik toch…nee, mijn vrouw niet.’
Vrouwen kunnen lijfelijke slippertjes makkelijker door de vingers zien. Meisjes worden dan ook zo opgevoed, al is het maar door familie of vrienden die tegen hun vader praten over denken en doen. Mannen doen het, vreemdgaan, scheefpoepen, naast de pot pissen, horens zetten, wildneuken, zoals ze plassen tegen een boom, pulken aan hun teennagels en bot reageren als ze nog moe zijn. Het is ‘normaal’. Al te intiem maatjesgedrag van een man met een andere vrouw, dat is andere koek. Nee, dat verdragen vrouwen niet. Ho maar, praten? Waarom kan je met mij niet praten? Hoezo dat is anders? Wat heeft zij dan wel meer?
‘Zodra je je partner niet meer durft te vertellen over je “contact” met die vriend of collega, dan weet je dat je je in de gevarenzone bevindt. Dan sta je tot aan je knieën in de verliefdheid.’ Zo staat het in de relatietherapie neergeschreven. Nu, tot aan de knieën, geef toe, dan is er geen man overboord. Het is die halve meter hoger waar het gevaarlijk wordt, of is dat een flauw grapje?
In alle definities over trouw en ontrouw, ga maar na, komt het telkens op hetzelfde neer. Je bent single of met twee en dat is het. Zodra je niet meer single bent, wordt je bezit en mag je niet meer denken of doen wat je wil. Ontrouw is denken aan een ander, vrijen met een ander, op weekend gaan met een ander, lunchen met een ander, kussen met een ander… een ander dan wie? Dan die ene partner aan wie je een leven lang ‘trouw’ moet blijven wat je hoofd, hart of lijf ook zegt. Dus ben je bezit van die ander… Toch?
Ach, de nonnen hadden vast gelijk, ik heb kwaad bloed. Maar, mag ik even tegen pleiten? Als we nu met zijn allen eens zouden proberen om vrij te zijn en te genieten zonder te denken dat een gesprek, een telefoontje, een uurtje, een middag, met een ‘ander’ ontrouw is, maar verrijking van jezelf…ziet de wereld er dan opeens niet anders uit?
Komt een vrouw bij de dokter…
Geplaatst op: mei 15, 2010 Gearchiveerd onder: communicatie, mannen, Uncategorized, Vrouwen | Tags: borsten, dokter, dood, kanker, vrouw Laat een reactie achter »En als ik doodga, en als ik doodga, dan wil ik je kort tegen me aan. Dan maakt het niet meer uit, ‘wie, wie’ en ‘hoe en waarom’ en ‘wanneer’ en ‘dan toch’ en ook niet ‘sinds wanneer en waarom’ en al de rest ook niet. Dan mag het, want ik ga dood. Gewoon liggen. Met je buik tegen mijn buik, je neus tegen mijn neus. In bed. Omdat dat is wat we doen, nu en ook dan, maar dan wel voor de laatste keer.
En als ik doodga, moet er niks meer en dan mag alles, ook wij dus. Ze mogen staan kijken, in rijtjes, al doen ze dat nu ook soms en dan glimlachen we. Zullen we dan ook glimlachen? Spreken we dat nu al af? Het maakt het draaglijker en lichter en dat heb jij zo graag.
Komt een vrouw bij de dokter en hij zegt: ja, dat ziet er niet goed uit. Dat pijntje daar draagt een lelijke naam en het begint met een K… en je man neukt een ander, maar dat is minder erg. De pijn zit op dezelfde plek, op je hart, maar je vergist je. En ik knik. Ik weet het, dokter. Hij zegt me dat ik slagroom ben, on top en dan is het normaal dat je daarop kankert. Mag ik glimlachen, dokter, wanneer ik dat zeg? Het ene heeft niets met het andere te maken, het is toeval, dokter. Het is zijn fout niet, dokter. Niet boos zijn, dokter. Wil je glimlachen, dokter, hij heeft de lichtheid zo graag. Mag dat dokter?
Natuurlijk mag dat, want ik ga dood en dus mag ik alles. Ik betaal geen boetes meer, ik doe geen boete meer. Borsten, borsten, borsten…honderd keer hoorde ik mannen dat fluisteren in mijn oor, kwijlend, geilend, gutsend van hitsigheid. Mag ik op je borsten? Mag ik tussen je borsten? Ja, ja, ja dat mag. Lekker, kom maar lekker hier, doe maar, geniet maar.
Hoe moet dat dan als ze er eentje wegsnijden? Wie wil er dan nog op mijn borsten spuiten? Wie is er ziek genoeg om mijn ritsje van 10 centimter, links, waar vroeger een borst zat, rond en blozend te kussen, te likken, vol geil te spuiten?
Klopt, dank je wel, zeggen ze en ze druipen af. Blijf toch glimlachen, dokter. Ik ben degene die doodgaat, jij niet. Jij hebt borsten, al zijn ze een beetje zielig en rimpelig. Je hebt er wel.
… de laatste deadline, want ik ga dood.
Zoveel rust in mijn ontembare angst. Ik kan helaas maar een ding en dat is intens zijn. Kan je ook intens doodgaan?
Ik had het je moeten zeggen, maar ik vroeg: ‘ben ik je vrouw?’ en jij zei, ‘nee, jij bent een extraatje’ en achteraf zei je, ‘ik zeg zo veel, dram er nu niet over door’ en ik zweeg. Soms weet ik het beter dan jij. Zullen we dat afspreken, nu, zo voor die paar maanden. Zeg nu gewoon ja.
Ik mag doordrammen, want ik ga dood. Ik mag alles, nog een paar maanden. Ik mag doordrammen, ik mag huilen, ik mag gillen, ik mag roepen. Ik mag met mijn vuisten op je borst beuken omdat je niet ziet, niet voelt . Het zou maar even duren, een paar maanden, maar dat verzweeg ik en jij kan zo onnoemelijk vast in je eigen ziel zitten. Als die rotzooi, van onverstaanbare berichten, mijn noodkreet om aandacht…hoe doof ben jij eigenlijk?
Ik drukte je hoofd tegen mijn borsten. Jij houdt daarvan. Honderden keren heb je het gekreund: ‘heerlijke borsten, zo mooi je borsten.’ Je vormde kommetjes met je handen, een hand onderaan, een bovenaan, je zoog, likte, streelde, sloeg. Dus was dat ook wat ik nu deed, je hoofd tegen mijn borsten trekken. En jij nam, zoals je altijd doet.
Neem nu afscheid, daarna verdwijn ik. Want ik ga dood. Neem afscheid, intens, van mijn borsten.
Je adem tegen mijn gezicht, zo wil ik sterven…mag dat als slagroom?
quote
Geplaatst op: mei 9, 2010 Gearchiveerd onder: Uncategorized Laat een reactie achter »“Door te zwijgen kan je de duvel kloten”
(Met dank aan T, die altijd weer geweldig quotes bovenhaalt op het juiste moment)
quote
Geplaatst op: mei 9, 2010 Gearchiveerd onder: Uncategorized Laat een reactie achter »Als je voor een pitbull staat, kan je maar beter blijven staan. Draai je je om, bijt hij immers in je gat.
zij en/of ik
Geplaatst op: mei 9, 2010 Gearchiveerd onder: Uncategorized | Tags: appels, Iatlie, mama, moeder, schouder Laat een reactie achter »Zij en/of ik
Ze nam de emmer met appels tussen de knieën, als kinderkopjes zo dik waren die knieën. Ze schilde dikke, lange slierten schil van rond de appel, hakte hem in twee en haalde met een snelle draai terwijl haar duim op het klokhuis rustte het hart eruit. Wanneer je een appel kan schillen in een schil, ben je klaar om te trouwen, zo vertelde ze me. Ik oefende zo tot mijn veertiende en toen dacht ik foert! Onlangs probeerde ik het nog eens. Ik kan het nog steeds niet!
Een Meuleken, zo heette dat mesje. Wanneer ze rond zevenen – terwijl de RTBF aan zijn nieuwsuitzending begon -om het Meuleken vroeg, wist je hoe laat het was. Mijn moeder zou je vol appel proppen tot je buik op ploffen stond, zo rond.
De schil van de appel viel op de ongeschilde appels en dat mocht. Vreemd was dat, want sinds ik kon lopen en mijn oren de woorden die ze hoorden, begrepen leerde ik van mijn moeder dat je proper en vuil moet scheiden: bij de vaat, tijdens het poetsen, bij de was, wanneer je groenten schoonmaakt, bij mensen… ha, ja ook bij mensen.
‘Eet’ zei ze dan en je waagde het niet je te verzetten. Niet wanneer ze kwart appel na kwart appel je richting uit duwde en ook niet aan tafel, als je na twee porties niet meer bij wilde. ‘Is’t niet lekker misschien?’ vroeg ze dan net iets te boos. ‘Jawel mama, ik heb genoeg.’ ‘Genoeg?’ verbaasde ze zich dan luid. ‘Ik zou willen dat ik eens wist hoe dat voelt, genoeg.’ Ze meende het. Mijn moeder kon gigantisch veel eten, maar ze deed dat niet want anders werd ze echt te dik.
Ze was helemaal niet dik, mijn moeder. Ze was zacht. Haar borsten vormden een plateautje om tegen te liggen en haar buik was als een reuze vanillepudding zo zacht. Hij wiebelde ook als je eraan schodderde. Tenminste ’s avonds, wanneer ze in haar nachtpon – een blauwe in fluweel – voor tv zat want overdag snoerde ze hem in een gaine in. Het hoekje van de zetel waar ik net in paste werd helemaal warm. Tussen mijn moeder en mijn acht jaar ouder broer zat ik nagenoeg ingeklemd in mijn eigen kleine broeikast waar op geregelde tijdstippen een kwart appel werd binnengeschoven. Helemaal moe en dik gegeten, rolde ik uit de zetel om mijn bed op te zoeken. Mijn gezicht was helemaal rood en omrand door sliertjes vochtig haar, het motief van haar blauwe fluwelen pon in mijn wangen gedrukt.
Mijn moeder maande me nooit aan mijn tanden te poetsen. Een appel poetst je tanden helemaal schoon, zei ze vaak. Waar ze dat haalde, geen idee. Wel riep ze elke avond. ‘Geen onderbroek in bed!’ Soms zelfs met een stukje appel in de mond. ‘Ffgeen ondwewbwoek in bed!’ klonk dat dan, maar ik verstond haar wel. Ze kruiste mijn voorhoofd zoals alleen moeder van weleer dat deden, en mompelde ‘gotseendeworde’. Jaren heeft het geduurd voor ik wist wat ze eigenlijk zei. ‘Awel, God zegent u en bewaart u’ antwoordde ze nuchter toen ik het haar vroeg. ‘Zegenen en bewaren? Waarom?’ fronste ik en ze lachte. Ze lachte.
Het galmde een beetje wanneer ze lachte, mijn moeder. Het galmde in de kamer, maar ook in mijn hart. Ik hoorde dat geluid zo graag. Ik was altijd gelukkig wanneer mijn moeder lachte. Haar boezem wipte dan op en neer en ze krulde haar lippen naar binnen. Ze schaamde zich om de tand die ze ooit verloren was, aan de zijkant. Eerst had er een gouden gezeten, maar dat ging uit de mode en ook, hij brak af en toen zat er een gat. Dat was nooit mode geweest, maar ze vond het de moeite niet om geld en tijd in dat gat te stoppen en dus lachte ze met gesloten mond. Behalve soms, en dan galmde het.
Overdag kon mijn moeder een echte diva zijn. Ze had een prachtig zandloperfiguur en liep altijd met een rechte rug. Dat vond ze belangrijk, net zoals verzorgde handen en voeten. Mijn moeder was een vrouw-vrouw helemaal, met billen en borsten en een buik en een stralende gezonde huid. Ze was te groot, te zwaar maar jammerde daar nooit over. Kwam ze ergens binnen waar ze weer maar eens de grootste was, rechtte ze haar schouders en hief haar kin op. Opvallen doen wij toch, zei ze dan samenzweerderig, dan vallen we beter op met wat schoon is dan met wat lelijk is en ze trok haar decolleté recht. Dat die ‘ons’ op haar en mij sloeg, begreep ik te laat.
‘Heb je ooit een man al eens horen zeggen dat hij valt voor een iele magere vrouw? Nee toch!’ Mijn moeder kon op zo’n toon spreken dat je er gewoon niet durfde aan denken om haar tegen te spreken. ‘Een schoon pronte vrouw! Dat zeggen de mannen’ en dan klonk haar Oost-Vlaams accent door haar woorden. Ze knikte dan met haar hoofd en deed haar zwarte krullen dansen.
Ik zag mannen kijken naar mijn moeder en dat maakte mij trots. Ik had geen weet van waar die mannen aan dachten of waar mijn moeder nee op zei. Obers in een restaurant, de groenteboer, de bakker…allemaal zagen ze mijn moeder graag. Ze glimlachten, bedienden haar galant, complimenteerden haar en mijn moeder maakte met plezier een praatje, tot ze bediend was en dan hield het op. ‘Tot de volgende!’ zwaaide ze dan en heupwiegde de winkel of het eethuis uit. Mijn moeder kon dat, heupwiegend stappen. Ze had grote voeten met knalrode teennagels die ze in gevlochten sandalen stak. De hak net hoog genoeg om elegant te zijn, niet te hoog om oncomfortabel te worden. Ze hield ervan te zeggen dat ze haar sandalen in Italië kocht. Eenvoud, maar kwaliteit. Ja, daar geloofde ze in.
…wanneer ik mijn te grote en te zware lijf in een jurk hijs – zou ik haar nog eens willen horen zeggen dat mannen niet op iele magere vrouwen vallen of dat je je rug moet recht houden wanneer je weer maar eens de langste vrouw van het gezelschap bent of dat je je voeten moet bewerken met puimsteen voor je ze in sandalen schuift of dat je appels moet eten omdat dat goed is voor je tanden of gewoon, heel gewoon nog een keertje horen als ik de trap op loop: ‘geen onderbroek aan in bed!’
